Over het Maninjaumeer, de Minangkabau en de Rafflesia


Eindelijk zijn we dan in Bukittinggi, het was  het  hart  van  de  hooglanden, vroeger  door  de  Nederlanders  Fort  de  Kock genoemd,  en  ligt  ongeveer  930  meter  boven zeeniveau.  Het  ligt  op  het  Agam-plateau  en wordt   omringd   door   de   vulkanen   Sago, Singgalang en Merapi. De stad heeft een  koel klimaat, ondanks dat het een breedtegraad van de   evenaar   verwijderd   is.   Er   heerst   een ontspannen sfeer in de stad en de bevolking is erg vriendelijk. In Bukittingi en omgeving wonen de Minangkabau. Minangkabau betekent “winnende buffel”. Deze naam is gegeven naar aanleiding van een buffelgevecht tussen de Javanen en Sumatranen om een oorlog tussen beide te voorkomen. De Javanen zetten hun sterkste buffel in terwijl de Sumatranen een uitgehongerd kalf met dolken aan zijn hoorns inzetten. Het kalf was zo uitgehongerd dat het wilde drinken bij de buffel en het dier doodde met de dolken.

De Minangkabau is een matriarchale bevolkingsgroep waarbij de familielijnen via de vrouw in plaats van de man gaan. De vrouwen bezitten het land en de huizen. De mannen vertegenwoordigen de familie naar buiten toe. Als een man gaat trouwen, trekt hij in bij het huis van de vrouw. De vrouw blijft haar hele leven in haar ouderlijk huis wonen. Als zij gaat trouwen, wordt er een gedeelte aan het huis bijgebouwd, zodat de vrouw haar man in een eigen kamer kan ontvangen. De verschillende puntdaken van het huis staan voor het aantal schoonzoons van de baas in het huis; de moeder of de oma. De daken van de Minangkabau huizen zijn te herkennen aan hun puntige daken in de vorm van buffelhoorns.

Vandaag proberen we zoveel mogelijk in het programma te stoppen want de Traveler heeft hier nog roots; zijn peetmoeder is hier geboren en zeker door haar vader (de Travelers naamgenoot), is geboorteaangifte gedaan in het voormalige stadhuis, nu het Novotel waar de Traveler verblijft.

We stoppen als eerste in het dorpje  Pandai Sukat, het is beroemd om  zijn  weef-  en houtsnijkunst. Hier  is het  weven sinds 1780 van essentieel belang. We bekijken de techniek en het resultaat, natuurlijk kopen we wat al was het maar om de lokale economie te steunen.

Daarna bekijken we in hetzelfde dorp hoe het ambacht van houtsnijden hier geperfectioneerd is. Deze mannen verdienen hun brood met opdrachten voor grote Minangkabau huizen te voorzien van hout gesneden platen. Ook hier worden er lvt’s (leuk voor thuis aangeschaft), het kost niet veel en we steunen er de locals mee.

Ook zien we hier traditionele bouw met moderne bouwmaterialen, alhoewel de houtpanelen altijd terugkomen in het ontwerp.

Daarna rijden we naar het Maninjaumeer wat is het zusje van het Toba-meer: net zo mooi, maar iets kleiner qua oppervlakte. Het meer ligt ingebed in een krater van  17 bij 8 kilometer. Bij windstille dagen is het wateroppervlak spiegelglad.  Het meer is een ideale plek om te zwemmen en te wandelen. “Maninjau” betekent “ver uitkijken over.”.

Alvorens daar aan te komen zien we onderweg nog hoe ze kaneel drogen; je legt de bast op de grond en deze droogt uit en je krijgt vanzelf kaneelstokjes.

We begeven ons naar de mooiste uitkijkplaats waar het uitzicht adembenemend is, Puncak Lawang. Het is de  uitkijkplaats  waar  we een super  uitzicht  hebben over  het Maninjaumeer. Puncak Lawang is het hoogste punt op de kraterrand.

De locals die hier wonen werken als dagloner op het land of slijten hun waren aan toeristen. De huisjes die ze bewonen mogen niet het predicaat tiny-house krijgen, deze zijn vele malen kleiner…

 

Vanaf de kraterrand dalen we af naar het Maninjaumeer, 44 haarspeldbochten dienen er overwonnen te worden, de Traveler is hoogst verbaasd dat we zonder kleerscheuren beneden komen en dat de remschijven van de Toyota blijven functioneren.

Diverse near-misses verder stoppen we voor een snack en een sapje, dat hebben we wel verdiend vinden wij. Wij kijken uit over het meer wat nadat er een visvoer vergiftiging optrad bij het kweken van vissen, eigenlijk economisch ter ziele is gegaan; de toeristen bleven weg en het duurde een aantal jaar voordat het biotoop weer op orde was. De locale ondernemers hebben het er zeer moeilijk.

Helaas moeten we dezelfde dodenweg weer naar boven en opnieuw is het een wonder dat we heelhuids bovenkomen.

Via de Ngarai kloof, een vier kilometer lang ravijn met steile rotswanden rijden we naar Kota Gadang. De  kloof  wordt  ook  de  Grand  Canyon  van  Indonesie  genoemd, maar is bij ons beter bekend als het karbouwengat uit de Nederlandse koloniale tijd. Thans heet  de  kloof  in  het  Indonesisch:  de  Ngarai  Sianok.

Daarna arriveren we in Kota Gadang, een dorp van zilversmeden, op een paar kilometer van Bukittinggi, aan de overkant  van het  karbouwengat (Ngarai Sianok). De  specialiteit  van dit  dorp is het  fijne zilverfiligraan: bijvoorbeeld spelden met sierlijke bloemen en insecten. Ook hier gaan we niet met lege handen weg, de edelsmid heeft alle tijd voor ons verteld het hele verhaal en heeft zowaar een paar hele leuke sieraden.

Dan rijden we terug richting Bukittinggi, we hebben afgesproken met een gids die ons naar het Rafflesia reservaat brengt en met ons gaat hiken om de bloeiende Rafflesia bloem te bewonderen. De  plant,  die  vernoemd  is  naar  Stamford Raffles, heeft geen bladeren en bijna geen stengel. De bloem heeft een diameter van soms een meter en kan ongeveer 10 kg wegen! De Rafflesia is dan ook met recht de grootste bloem ter wereld die uitsluitend in Zuidoost Azië groeit (Maleisië, Filippijnen en Sumatra). Minder aantrekkelijk is dat deze bloem ontzettend kan stinken naar rottend vlees. Aangezien de bloem maar twee dagen bloeit in de jungle hebben we ontzettend geluk dat we een bloeiende kunnen gaan zien. We melden ons in de desa Batang Palupuh waar de gids ons staat op te wachten. We trekken snel onze jungle kleren en dito schoenen aan en gaan op weg.

Van te voren hadden we gevraagd of het een intense hike zou zijn maar volgens onze gids was dat niet het geval; “almost flat”…. Echter al heel snel verlaten we de desa en lopen door het allang allang al gauw gaat het behoorlijk omhoog en als we aan de gids vragen of route flat is geeft hij aan dat de bloemen op de vlakke route reeds uitgebloeid zijn en dat we alleen op de steile route een bloeiende bloem kunnen aantreffen. Tot overmaat van ramp begint het in de verte donderen en zien we het regenenen. Het begint steeds steiler te worden en gladder te worden en de Traveler moet alle zeilen bijzetten om niet naar beneden te donderen. Na een intense klim waarbij we soms op handen en voeten omhoog gaan duiken we de dichtbegroeide jungle in.

Het zweet en regenwater gutsen van onze hoofden af en zelfs de gids heeft het moeilijk. Dan is daar het eerste magische moment, een nog niet geopende Rafflesia ligt op de grond naast een aantal knoppen en een reeds uitgebloeide bloem.

We trekken verder en dieper de jungle in, en hangend aan lianen en dunne boompjes, lukt het ons bij de bloeiende Rafflesia aan te komen. Het is zo donker dat we moeten flitsen om de prachtige bloem te kunnen fotograferen. Het was een hele inspanning maar de beloning is er ook naar.

Na al dit moois moeten we opnieuw omhoog klimmen om de top over te gaan, niet een gemakkelijke opgave, aangezien er kleine watervalletjes zijn ontstaan die niet bevorderlijk zijn voor het klimmen.

Na anderhalf uur ploeteren op de flanken van de berg komen we uiteindelijk weer terug in de desa en zijgen neer op de stoelen van een koffieshop waar we ons schoeisel kunnen wisselen en kunnen opdrogen want het zonnetje is weer gaan schijnen.

De koffieshop waar we zitten is een bijzondere want hier wordt de originele Luwak koffie verkocht en geschonken. Wat is dat nou weer voor koffie hoor ik de oplettende lezer vragen.

Welnu, toen de koffieproductie in de 18e eeuw in Indonesië op gang kwam was het voor de plaatselijke bevolking onmogelijk om zelf aan koffiebonen te komen. Maar de nieuwsgierigheid naar deze drank was er uiteraard wel. De enige manier om aan koffiebonen te komen was door deze uit de uitwerpselen van civetkatten te halen, deze te wassen en te roosteren. Na verloop van tijd kwamen ook de plantagehouders erachter dat juist deze methode tot een sublieme smaak leidde.

Kopi loewak of civetkoffie is een van de duurste koffiesoorten ter wereld. De hoge prijs wordt niet veroorzaakt doordat de gebruikte koffiebessen zelf zo zeldzaam zijn, maar door het zeer speciale productieproces. Kopi is het Indonesische woord voor “koffie” en loewak is de lokale naam voor een civetkatachtige die de rauwe rode koffiebessen eet.

De koffiebes wordt verbouwd op plantages. Hier wordt deze gegeten door de loewak, een civetkatachtige. Het vruchtvlees wordt verteerd, maar de pit blijft intact en passeert het maag-darmkanaal. De pitten worden hierna teruggevonden in de ontlasting van de loewak. Ze worden gewassen en gedroogd en vervolgens van hun schil ontdaan. Hierna worden ze licht geroosterd. De aminozuren die tijdens het fermentatieproces zijn vrijgekomen werken tijdens het roosteren in op de pitten en zorgen voor de bijzondere smaak.

Aangezien de ontlaste bessen moeilijk te vinden zijn, is de prijs zeer hoog en heeft de koffie een exclusief karakter. Per jaar wordt slechts zo’n 200 kg kopi loewak geproduceerd die van wilde civetkatten afkomstig is.

De Traveler en Marina krijgen een heerlijk kopje koffie voorgeschoteld en ondertussen wordt er verteld over hoe de koffie gemaakt wordt.

Ook wordt er gedemonstreerd dat de koffiedrap je heel gezond en jong maakt. Als de Traveler vraagt of het ook het haar doet terugkeren valt iedereen van zijn stoel van het lachen. De koffie bevalt zo goed dat we tot aanschaf van de bonen overgaan. Het verwijderen van de koffiedrap van Marina’s gezicht heeft nogal wat voeten in de aarde want het goedje is redelijk diep de poriën binnen gedrongen.

Na onze schoenen schoongemaakt te hebben vertrekken we weer, na eerst het gastenboek ingevuld te hebben.

We proberen voor donker nog bij het panorama punt te komen in Bukittinggi.

Een half uur voor donker komen we aan en mogen het park niet meer in, gelukkig heeft onze driver Udi nog wat tip money en plotsklaps gaan de deuren voor ons alsnog open. Indonesian style zegt onze gids.

We genieten van het uitzicht en zien een mooie zonsondergang.

Daarna werpen we nog snel een blik in de Japanse tunnels. Deze heeft een lengte van 1400 meter en is 2 meter in breedte. Hier bevinden zich o.a. een arsenaal, gevangenis en luchtafweerfaciliteiten. Het complex is door dwangarbeiders gebouwd.

 

 

De duisternis valt in en we keren terug naar het hotel. Het was me het dagje wel

Categories: reizenTags: , , , ,

2 comments

  1. Tjonge , wat een reis zeg! Hebben jullie de hele tijd een gids bij je?

Leave a Reply

%d bloggers like this: